“De namen van deze twaalf ambtenaren waren: Ben-Hur, die het heuvelgebied van Efraïm onder zich had; Ben-Deker, met onder zich Makaz, Saälbim, Beth-Semes en Elon-Beth-Hanan; Ben-Hesed, met onder zich Aruboth, Socho en het land Hefer; Ben-Abinadab, met onder zich het heuvelgebied van Dor. Deze jongeman trouwde bovendien met Salomo's dochter Tafath; Baäna, de zoon van Ahilud, met onder zich Taänach, Megiddo, geheel Beth-Sean, dichtbij Sartana ten zuiden van Jizreël en heel het gebied van Beth-San tot Abel-Mehola, dat zich uitstrekte tot aan Jokmeam; Ben-Geber, met onder zich Ramoth in Gilead, inclusief de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, in Gilead, en het gebied van Argob in Basan, waartoe ook zestig ommuurde steden behoorden met koperen grendels op hun poorten; Ahinadab, de zoon van Iddo, met Mahanaïm onder zich; Ahimaäz, die met Basmath trouwde, één van Salomo's dochters, had het gebied van Naftali onder zich; Baäna, de zoon van Husai, had de gebieden van Aser en Aloth onder zich; Josafat, de zoon van Paruah, was verantwoordelijk voor Issaschar; Simeï, de zoon van Ela, had het gebied van Benjamin onder zich; Geber, de zoon van Uri, was tenslotte verantwoordelijk voor Gilead, inclusief de gebieden van koning Sihon van de Amorieten en koning Og van Basan. Hij was de enige hooggeplaatste ambtenaar in dat gebied.”
1 Kings 4:8 - Het Boek